Hugo de Groot werd in 1583 geboren in Delft. Al vroeg was duidelijk dat hij buitengewoon was: op zijn elfde schreef hij Latijnse gedichten, op zijn vijftiende studeerde hij rechten in Leiden. Hij groeide op in een tijd waarin de jonge Republiek der Nederlanden zich moest zien te handhaven tussen oorlog, geloofsstrijd en politieke machtsstrijd. In die wereld vond Hugo zijn weg als jurist, schrijver en denker. Hij werkte nauw samen met Johan van Oldenbarnevelt en verdedigde het idee dat mensen met verschillende overtuigingen naast elkaar moesten kunnen leven. Dat klonk redelijk. Maar redelijkheid is niet altijd wat de macht wil horen. Toen prins Maurits een andere koers koos en de tegenstellingen in het land op de spits dreef, werd Hugo het slachtoffer van een politieke strijd die groter was dan hijzelf. In 1619 werd hij veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf en opgesloten in Slot Loevestein. Twee jaar later ontsnapte hij in een boekenkist, gevuld met boeken. Het was haar plan, haar overtuiging dat vrijheid de prijs waard was. Hugo vluchtte naar Frankrijk, waar hij bleef schrijven over recht, vrijheid en vrede tot aan zijn dood in 1645. Ver van huis, maar nooit ver van zijn ideeën.